Intermezzo: praktische mededeling weblog

Inmiddels heb ik een groot aantal bruikbare tips ontvangen over deze weblog. Kennelijk is het te voortvarend om een tempo te hanteren van meer dan één Blog per week. Gevolg van mijn enthousiaste start is dat menigeen het niet goed bij kan houden. Dus wil ik gas terugnemen en me beperken tot een Blog per week.

Voorts hoorde ik dat het soms voor deze en gene wat moeilijk is. Omdat ikzelf met deze stof al tien jaar aan de slag ben denk ik juist vaak dat ik te eenvoudig bezig ben. Met andere woorden ik zal mijn best doen duidelijker te zijn, maar verzoek jullie om je vragen over stellingen en stukjes met een gerust hart te uiten. In werkgroepen bleek ook al dat de vragen van de een behulpzaam zijn bij het bgrijpen voor de ander.

Succes!

 

 

Blog 14: Ik ben Ego-Plus

Ego is mijn lichaam en mijn brein. Mijn brein is zelfs gelokaliseerd in mijn hele lijf, met 70 miljard cellen met een celmem-‘brain’, naast een buik-, hart- en hoofdbrein. Niet voor niets stelde Swaab: “Wij zijn ons brein, en Aristoteles zei al: “Er is niets in mijn brein wat niet eerst in mijn lichaam was.”

‘Plus’ wordt gevormd door ‘zelfbewustzijn’. Dit zelfbewustzijn vormt de basis voor mijn zogenaamd ‘bewuste’ brein. Zelfbewustzijn laat mijn brein van sommige zaken, af en toe, deelgenoot worden door bepaalde waarnemingen ‘bewust’ te maken en stelt mijn ego zo in staat om zijn denken te actualiseren en te heroverwegen om vervolgens anders te handelen dan eerder niet-bewust voorgesteld. Bewustzijn stelt door te focussen op bepaalde zaken mijn ego in staat om meer te leren dan onbewust gewend. De wil om te focussen wordt anderzijds mede door het onbewuste brein aangegeven.

Mijn ego wordt geleid door mijn fabrieksinstellingen en door mijn brein met zijn opgeslagen ervaringen, maar ook door de aandacht welke het onbewuste alsook het bewustzijn vestigt op in- en uitwendige omstandigheden en gebeurtenissen, waardoor de tot dan toe onbewuste waarnemingen, gedachten of gevoelens ook bewust gemaakt kunnen worden.

Als lid van de groep doet mijn ego van huis uit meestal anderen na. Wat men noemt een ‘mimetische’ begeerte, daarbij geholpen door mijn spiegelneuronen. Binnen dit gedrag is nauwelijks sprake van een eigen willen. Anderzijds word ik gestuurd door de omgevingsfactoren en mijn persoonlijk wensenpakket.

Maar ik ben niet alleen het pikkend vogeltje, maar ook het toeziend vogeltje. Ik ben twee in één. Ik ben als een rijdende auto: een auto met chauffeur, misschien ook wel een auto met GPS contact, die ook nog extern geïnformeerd wordt door dat voorgestelde 3e vogeltje. Maar ik ben twee in één, of twee onder één kap.

Anders te kunnen handelen dan niet-bewust is voorgesteld, betekent ook een zekere mate van ‘vrije wil’, omdat op de valreep soms nog anders beslist kan worden. Maar ofschoon mijn ego kan voorstellen te doen wat het op dat moment wil, is zijn keuze beperkt, omdat dit willen verankerd ligt in zijn ‘fabrieksinstellingen’, in zijn wensenpakket en zijn ervaringen tot dan toe, waardoor het ‘programma’ dat mijn brein draait bepaald wordt. Wie of wat de wensen van mijn ego bepaald heeft blijft vooralsnog nog een mysterie.

Blog 13: Wie ben ik?

Meister Eckhart zei in de 13e eeuw: “Ik zou willen worden die ik was toen ik nog niet was.”  Friedrich Nietzsche adviseerde: “Du sollst werden der du bist.”  Wat bedoelden zij hier eigenlijk mee?

“O, dat verschrikkelijke tweede ik, dat steeds blijft zitten terwijl het eerste staat, doet, leeft, lijdt en tekeergaat. Dat tweede ik, dat ik nooit van zijn stuk heb kunnen brengen, of aan het huilen of in slaap! Zoals dat alles doorheeft! En overal mee spot!” (Alfonse Daudet vert. A.F.Th. van der Heijden)

Herken jij dat tweede ik? Dat tweede ik, dat bij Jan van Delden “in de achterste stoel” zit en van een afstand op mij neerkijkt. (Jan van Delden: Zelfrealisatie)

William James, grondlegger van de psychologie, beschreef als een van de eersten de tweedeling van het zelf in ‘IK’ en ‘mij’. Het zelf als kenner (IK) en het zelf als het gekende (mij). Het IK dat geen leeftijd of geslacht heeft, dat niet goed of slecht is, maar de waarnemer, onze continu sturende identiteit, aldus James.

En alhoewel er in ons taalgebruik slechts één ik is, zijn we in functioneel opzicht verdeeld in twee wezens. In de ik die doet, denkt en leeft. Het ‘pikkende vogeltje’ uit de Rig-Veda. En in “dat verschrikkelijke tweede ik” zoals Alfonse Daudet het beschrijft, “dat steeds blijft zitten terwijl het eerste staat, doet, leeft, lijdt en tekeer gaat”, het ’toeziende vogeltje’ uit de Rig-Veda.

Allemaal herkennen we zo’n tweedeling in ons. Een handelend, verouderend ik op de voorgrond en een nooit veranderende waarnemer op de achtergrond, die ik mijn hele leven al ken, die weliswaar wijzer lijkt te worden, maar niet veroudert.

Maar als ik nu moet worden die ik ben, wie van die twee ben ik dan echt? Wie moet ik dan worden? 

Soms praat ik tegen mezelf en moeten we allebei lachen.

“Je bent niet die je denkt dat je bent”, zei Wolter Keers hierover. (Wolter Keers: Vrij zijn) Wie ik denk te zijn, is de ‘ik’ die ik in de spiegel waarneem. Maar hier corrigeert Sartre ons door te zeggen: “Je kunt niet zijn wat je waarneemt!” Dan ben je dus de waarnemer. En wat je in de spiegel waarneemt is het waargenomene, ‘het spiegelbeeld van je lichaam’.

Driehonderd jaar na de beroemde uitspraak van René Descartes: “Ik denk, dus ik ben”, stelde Sartre dat Descartes erin geslaagd was om ons ‘ego’ bloot te leggen, want zei hij: “De waarnemer van ‘het denken’ [dus hij die vaststelt dat ‘ik denk’], is een ander dan de denker. Je kunt niet zijn wat je waarneemt.

Vergelijk de verwarring maar met wat René Margritte met zijn schilderijen zegt wanneer ik je vraag: “Wat is dit?”  Vertoond wordt een pijp met onderschrift: ‘ Ceci n’est pas une pipe.’

Dat wat ik waarneem is mijn ego, dat niettemin sinds jaar en dag met ‘ik’ wordt aangeduid en dat ik daarom dus ook denk te zijn. Maar, meer nog ben ik ‘de waarnemer’ van dat ego waarvan ik gebruik maak en dat dus ook iets van mij is.

Dus: Ik ben beiden. Ik ben zowel de waarnemer als mijn waargenomen ego. Ik ben Ego-Plus.

Meer nog ben IK, als ‘plus’, het ‘gewaarzijn’ van mijn ego in zijn omgeving. IK ben het ‘bewuste’ gewaar zijn van ‘de wind door mijn haren’, de ‘bewuste’ waarnemer van ‘het geluid van de motor’ en de ‘bewuste’ waarnemer van de gedachten in mijn hoofd en de emoties in mijn lijf. IK ben ook de luisteraar naar de stem in mijn hoofd.

Voor ons is heel verwarrend dat ons ego alléén geen ‘ik’ is, terwijl we er toch zo over spreken. Mijn ego is niet ‘iemand’, net zomin als het ego van een chimpansee. Dus in feite is er niet ‘iemand’, met de naam ‘ik’ in het centrum van de ervaring. Er is alleen ‘het waarnemen’ van een functionerend ego, van ‘mijn ego’, mijn lichaam en mijn brein. Het ego, lichaam en brein waar IK op toezie en dat in zekere zin van Mij is.

Dick Swaab stelde: “Wij zijn ons brein”, maar we ‘zijn’ ons brein niet, wij ‘hebben’ een brein wat we kunnen waarnemen. En nogmaals: “Je kunt niet zijn wat je waarneemt.” Er is alleen ‘gewaarzijn’ én dat wat waargenomen wordt. En wat waargenomen wordt zijn de zintuiglijke waarnemingen van mijn niet bewuste ego, naast de lichamelijke emoties en de gedachten, het stemmetje en de verhalen van mijn brein.

Deze voyeur, dit ‘gewaarzijn’, wordt door ons veelal ‘zelf’-bewustzijn genoemd, ofschoon Margritte ook van dit waargenomen ‘zelf’ zou zeggen: “Ceci n’est pas moi-même”.

Mijn ‘IK’ is het ‘gewaarzijn’ of bewustzijn. En bewustzijn is misschien wel onze ziel. ‘Mijn alledaagse ik’ evenwel is de synthese van de waarnemer en het waargenomene. ‘IK’ en ik. Of zoals William James en Alfonse Daudet stelden, ik heb en ben ‘twee zelven’. Mijn uiteindelijke wezen is twee in één, de som van ‘ik’ en IK, de ritssluiting of twee onder één kap. Ik ben: Ego-Plus.

Intermezzo:

                                                   Na de bevrijding van religie, klasse en sekse, dreigt nu de

                                                                     ‘bevrijding’ van onze menselijkheid,

                                                                    de dehumanisering door robot-pride.

 

                                                                                Aleksander Doegin